NIP

Veelgestelde vragen ethiek

Hier vind je de antwoorden op veelgestelde vragen over beroepsethische kwesties.

Snel naar de veelgestelde vragen over:

Deze pagina wordt nog uitgebreid.

En meer.

Minderjarige cliënten

Voor een goed begrip raden we je aan de antwoorden op alle onderstaande vragen op zijn minst één keer door te lezen.

1. Wat is kenmerkend aan de professionele relatie met minderjarigen?

Een van de belangrijkste kenmerken van het behandelen, begeleiden en/of onderzoeken van minderjarigen is dat er naast de minderjarige cliënt sprake is van wettelijk vertegenwoordigers en soms ook nog van externe opdrachtgevers (bv. een instelling of school). Als psycholoog doe je er goed aan je direct bij het begin van de professionele relatie met de minderjarige af te vragen wie welke rol heeft ten opzichte van de minderjarige en welke gevolgen dat met zich meebrengt.

Dit is immers van groot belang bij de professionele afwegingen die worden gemaakt over bijvoorbeeld inzagerecht, privacy en het delen van informatie. Ook als zich gaandeweg de professionele relatie derden bij de psycholoog melden (bv. een nieuwe partner van vader of moeder), kan het voor goed beroepsethisch handelen waardevol zijn eerst na te gaan welke rol deze persoon precies heeft ten opzichte van de minderjarige.

2. Wie is minderjarig in de zin van de Beroepscode?

Jongeren onder de 16 (’16-minners’) zijn minderjarig in de zin van de Beroepscode. Dit staat in artikel 7 van de code waarin aansluiting is gezocht bij de leeftijdsgrens die wordt gehanteerd in de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) (artikel 447). Voor psychologen die werken met minderjarige cliënten is dit een belangrijke uitzondering op de algemeen bekende regel uit het Burgerlijk Wetboek (artikel 233 boek 1 BW) waaruit volgt dat jongeren pas vanaf 18 jaar meerderjarig zijn.

Echter, wanneer een psycholoog anders dan op basis van een professionele relatie met een minderjarige te maken krijgt, dat wil zeggen niet als cliënt (bijvoorbeeld bij plaatsing op een school of in een instelling), dan geldt in dat geval de leeftijdsgrens van 18 jaar.

3. Waarom ligt de grens voor meerderjarigheid al op 16 jaar?

In het algemeen is door de wetgever aangenomen dat vanaf 16 jaar bij de minderjarige cliënt het noodzakelijk inzicht bestaat om behandelingsovereenkomsten voor zichzelf af te kunnen sluiten. Dit is mede het geval omdat jongeren op steeds jongere leeftijd zelfstandig deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.
Dit betekent dat de meerderjarigheidsgrens in de Beroepscode bij 16 in plaats van 18 jaar ligt. Een belangrijk gegeven om mee rekening te houden bij de behandeling van jeugdigen.

4. Welke categorieën minderjarigen worden onderscheiden in de Beroepscode?

In navolging van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) worden in de Beroepscode in artikel 7 drie categorieën minderjarigen onderscheiden:

  1. jonger dan 12 jaar
  2. tussen 12 en 16 jaar
  3. 16 jaar of ouder

5. Wat betekent het om minderjarig te zijn? (hoofdregel)

Als cliënten minderjarig zijn, zijn ze in beginsel niet handelingsbekwaam. Zij worden in het maatschappelijk verkeer vertegenwoordigd door een andere persoon, de wettelijk vertegenwoordiger genaamd. In de Beroepscode is dit als volgt uitgewerkt:

  1. Bij cliënten jonger dan 12 jaar worden de in de Beroepscode aan hen toegekende rechten in principe uitgeoefend door de wettelijk vertegenwoordiger(s);
  2. Bij cliënten tussen 12 en 16 jaar worden de in de Beroepscode aan hen toegekende rechten uitgeoefend door de minderjarige én door de wettelijk vertegenwoordiger(s) gezamenlijk. Het vereiste van de zogenaamde dubbele toestemming;
  3. Bij cliënten van 16 jaar of ouder worden de in de Beroepscode aan hen toegekende rechten uitgeoefend door de cliënt zelf.

Een belangrijk in de Beroepscode opgenomen recht van cliënten is het welingelicht aangaan of voortzetten van de professionele relatie (artikel 61, 62 en 63 van de code). Toestemming van beide ouders of voogden is vereist vóórdat je met behandelen of begeleiden van een kind mag beginnen. Je moet je dus al voorafgaand aan de professionele relatie op de hoogte stellen van de (ouderlijke) gezagsverhoudingen en niet pas bij de start van de behandeling en/of het onderzoek. Voorafgaand aan het intakegesprek moet er toestemming zijn van beide wettelijke vertegenwoordigers.

6. Wanneer is toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger(s) niet noodzakelijk? (uitzonderingen)

Voor cliënten jonger dan 12 jaar hoeft geen toestemming te worden gevraagd indien je als psycholoog gegronde redenen hebt om aan te nemen dat de belangen van de cliënt ernstig zouden worden geschaad door de betrokkenheid van de wettelijk vertegenwoordigers bij de professionele relatie. Uit de jurisprudentie in tuchtzaken blijkt dat dit maar zeer weinig wordt aangenomen. Je kan denken aan een situatie waarin het benaderen van de andere ouder met gezag voor het kind een onveilige situatie oplevert. Bijvoorbeeld bij een door de rechter opgelegd contactverbod, of indien het benaderen van die ouder een aantoonbare negatieve invloed op de (al) bedreigde ontwikkeling van de minderjarige. Je doet er als psycholoog goed aan om dergelijke aspecten als ‘bouwstenen’ voor deze afweging te gebruiken. Het is van groot belang dat je de ernstige schade aan de belangen van de minderjarige zo expliciet mogelijk maakt. Het is niet voldoende om de afweging ‘in het belang van het kind’ te maken, je moet onderbouwen wat dat belang is en wat de ernstige schade daarvoor bij de individuele minderjarige betekent.

Bovengenoemde uitzondering mag er bijvoorbeeld niet toe leiden dat een kind zonder toestemming van een met gezag belaste ouder wordt gezien louter en alleen omdat jij als psycholoog behandeling noodzakelijk acht. In het algemeen is het dus verstandig om het bestaan van een dergelijke uitzondering te onderbouwen en te motiveren in het dossier. Je kan je dan met behulp van hetgeen is opgenomen in het dossier verantwoorden als dat nodig is:

  1. Indien de meningen tussen wettelijk vertegenwoordigers en de jongere tussen 12 en 16 botsen dan dien je na te gaan of de weigering van de wettelijk vertegenwoordigers ernstig nadeel oplevert voor de cliënt dan wel of de minderjarige na de weigering de professionele relatie weloverwogen blijft wensen.
  2. Indien de cliënt 16 jaar of ouder is (hoofdregel).

Als een cliënt van 16 jaar of ouder niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, met andere woorden:  wilsonbekwaam,  niet in staat om over een concrete beslissing na te denken en daarvan de gevolgen te overzien, worden de in de code aan hem toegekende rechten uitgeoefend door zijn wettelijk vertegenwoordiger dan wel door een vertegenwoordiger die door de cliënt is aangewezen (zie de Beroepscode, artikel 7 en specifiek 9 Bc.)

7. Wie zijn de wettelijk vertegenwoordigers?

In artikel 1.11 van de Beroepscode staat een definitie van het begrip wettelijk vertegenwoordiger(s). Dit zijn:

  • de ouder(s) van de minderjarige cliënt die het ouderlijk gezag uitoefent of uitoefenen;
  • de voogd die het gezag uitoefent;
  • de door de rechter benoemde curator van de meerderjarige cliënt;
  • de door de rechter benoemde mentor van de meerderjarige cliënt.

8. Wie zijn de ouders mét gezag?

Ouders die vóór de geboorte of de adoptie gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan hebben automatisch (ook wel genoemd van rechtswege) het ouderlijk gezag over hun kind.

Na een echtscheiding is de hoofdregel dat beide ouders het ouderlijk gezag houden over de kinderen, tenzij de rechter anders beslist. Ook na de ontbinding van een geregistreerd partnerschap houden beide ouders het gezag over de kinderen. In deze gevallen hoef je je als psycholoog dus niet af te vragen welke ouder het gezag heeft, dit berust bij beide ouders. Dit betekent dat beide ouders in zo’n geval voorafgaand aan de professionele relatie daarvoor toestemming aan de psycholoog moeten geven.

Indien één van de ouders stelt alleen het gezag over de minderjarige te hebben raden we aan om deze ouder te vragen om de rechterlijke uitspraak of een uittreksel uit het gezagsregister waaruit dit blijkt. Het kan ook zijn dat de ouders nooit gehuwd zijn geweest of geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan. In een dergelijk geval is erkenning door de andere ouder niet voldoende om het gezag te verkrijgen. Dat moet dan nog apart worden aangevraagd.

9. Hoe krijg je toestemming van de ouder(s) mét gezag?

In de praktijk komt het vaker voor dat een ouder het na een scheiding lastig vindt om de andere ouder te informeren over het door hem of haar gewenste contact tussen het kind en de psycholoog en om toestemming hiervoor te vragen.

Zelf om toestemming vragen
Dit zal met name zo zijn indien de communicatie tussen de ouders verstoord is. Ga als psycholoog niet alleen af op iets wat één van de ouders hierover vertelt. Weliswaar blijft het primair de eigen verantwoordelijkheid van (gescheiden) ouders om onderling de zorg en opvoeding van de kinderen te regelen, maar dit neemt niet weg dat het tot jouw professionele verantwoordelijkheid behoort hierover duidelijkheid van beide ouders te verkrijgen. Dit komt omdat er in de psychologische behandeling van het kind (in tegenstelling tot bijvoorbeeld puur medische behandeling) vaker ‘heikele’ informatie zal worden uitgewisseld die aan het systeem raakt. Dit ligt vaak gevoelig en is reden dat je beter die andere ouder actief zélf om toestemming kan vragen om misverstanden te voorkomen. Die andere ouder voelt zich daarmee ook meteen serieus genomen. Je vraagt dus bij de aanmeldende ouder de contactgegevens van de andere ouder op en deelt de aanmeldende ouder mee dat zonder toestemming van de andere ouder met gezag geen intakegesprek met het minderjarige kind kan plaatsvinden. Je kan dit naar de aanmeldende ouder motiveren door te verwijzen naar hetgeen staat vermeld in de Beroepscode.

Vervangende toestemming
Als er naar jouw oordeel sprake is van een noodzakelijke behandeling en één van de ouders met gezag de toestemming weigert, kan de andere ouder, de psycholoog of de gezinsvoogd in geval van een ondertoezichtstelling (ots) de kinderrechter verzoeken om vervangende toestemming voor behandeling te geven. Dit kan alleen bij minderjarigen tot 12 jaar.

10. Wat als een ouder met gezag 'niet in beeld' is?

Het antwoord bij vraag 8 hierboven houdt in dat als met één van beide ouders met gezag geen contact kan worden gelegd door de psycholoog de professionele relatie doorgaans niet kan worden aangegaan.

In de praktijk wordt er door de aanmeldende ouder nogal eens verteld dat de andere ouder ‘niet in beeld is’. Bijvoorbeeld omdat deze in het buitenland woont of zich helemaal niet (meer) met de opvoeding van het kind bemoeit. In zo’n geval is dat voor jou als psycholoog geen reden om je niet in te spannen om de andere ouder met gezag voor toestemming te benaderen. Je kan dus aan de aanmeldende ouder om de contactgegevens van de andere ouder vragen en toelichten dat je als professionele beroepsbeoefenaar zonder de toestemming van de andere ouder niet kan beginnen met het onderzoek of de behandeling.

Er is vaak een e-mailadres of mobiel telefoonnummer te achterhalen, eventueel met behulp van een advocaat van (één van de) ouders. Het is belangrijk dat je de aantoonbare inspanningen om de andere ouder om toestemming te vragen in het dossier vastlegt. Wanneer dit niet lukt of wanneer de andere ouder de toestemming expliciet weigert kan je de onderbouwde afweging maken of je een uitzondering kan maken op het toestemmingsvereiste (zie ook het antwoord bij vraag 6) dan wel vervangende toestemming vragen bij de kinderrechter. Zie antwoord bij vraag 9.

11. Wat als de minderjarige geen contact met één van de ouders wil?

Als de aanmeldende ouder aangeeft dat de minderjarige zelf (ook) geen contact wil met de andere ouder, lijkt dat ten onrechte ook vaker aanleiding voor de psycholoog om deze ouder niet om toestemming te vragen. Voldoening aan het toestemmingsvereiste betekent niet dat je de minderjarige tegen diens wil (weer) in contact brengt met de betreffende ouder. Dat is ook niet noodzakelijk om de toestemming te verkrijgen. Het gaat er dan vooral om dat de andere ouder toestemming geeft dat de psycholoog de minderjarige kan zien voor een intakegesprek. Of dit ook betekent dat de andere ouder op de hoogte kan zijn van alle gegevens over de minderjarige en wat er door de minderjarige is verteld, bijvoorbeeld over diens relatie met de (andere) ouder(s), is iets anders. Dat dien je met de minderjarige zelf te bespreken. Op basis van de vertrouwensrelatie kun je de onderbouwde afweging maken om de informatie aan (één van de ) ouders te beperken.

12. Wat als er een ouder is zonder gezag?

De ouder zonder gezag vertegenwoordigt niet het kind of de jeugdige (dat wil zeggen de minderjarige cliënt), is geen wettelijk vertegenwoordiger en kan de in de Beroepscode aan hem toegekende rechten dan ook niet namens de minderjarige uitoefenen.

Als psycholoog zal je dus een minder intensieve professionele relatie met deze ouder onderhouden. Als er feitelijke omgang is tussen de ouder zonder gezag en de minderjarige raden we aan om ook de ouder zonder gezag voor een gesprek uit te nodigen om diens visie op de hulpvraag of behandeling te horen. Daarvoor hoeft de ouder met gezag of de minderjarige zelf, geen toestemming te geven.

Op welke informatie van jou de ouder zonder gezag niettemin recht heeft en hoe die ouder daaraan komt, lees je in vraag 16.

13. Is er een verschil tussen een voogd en een gezinsvoogd?

Ja, er is een belangrijk verschil:

  • Een voogd is een wettelijk vertegenwoordiger. Hij heeft het gezag over een kind toegewezen gekregen door de kinderrechter. Een voogd wordt in plaats van de ouders als wettelijk vertegenwoordiger benoemd, bijvoorbeeld bij overlijden. Een voogd kan ook náást de ouders worden benoemd. Bijvoorbeeld indien deze uit het ouderlijk gezag zijn gezet bij misbruik of indien de ouders vanwege een beperking niet voor het kind kunnen zorgen.
  • Een gezinsvoogd is geen wettelijk vertegenwoordiger en heeft dus niet het gezag over het kind. Dat berust nog steeds bij de ouders. Een gezinsvoogd wordt benoemd door de kinderrechter in het kader van een ondertoezichtstelling (afgekort: ots) van het kind en coördineert de hulp aan de minderjarige. Dit gebeurt indien er zorgen zijn over de ontwikkeling van het kind, bijvoorbeeld in het geval van een vechtscheiding. De gezinsvoogd zorgt voor hulp en ondersteuning bij de opvoeding en verzorging van het onder toezicht gestelde kind en kan de ouders zo nodig schriftelijke aanwijzingen geven, waartegen de ouders bezwaar kunnen maken.

Let op: voor psychologen is van belang dat de gezinsvoogd een zelfstandig recht op informatie heeft voor zover die informatie van belang is voor de uitoefening van de ots. Zie informatie bij vraag 17.

14. Wat als je als psycholoog begint te behandelen zonder de benodigde toestemming van alle wettelijk vertegenwoordigers?

Dit kan leiden tot de indiening van een klacht tegen de psycholoog bij de klachtenfunctionaris en/of de tuchtrechter. Het heeft echter ook ernstige gevolgen voor de cliënt omdat het meestal zal leiden tot een vertrouwensbreuk en afbreking van de net gestarte behandeling/begeleiding van het kind. Daarom is het van groot belang dat je je direct bij aanvang van de professionele relatie op de hoogte stelt van de ouderlijke gezagsverhoudingen.

15. Kan je als psycholoog ergens navragen wie het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft?

Objectieve gegevens over wie het gezag heeft over een kind, kan je als psycholoog telefonisch opvragen bij het openbare gezagsregister te Den Haag via 088-3622156.
Let op: in dit register worden alleen rechterlijke beschikkingen ingeschreven die leiden tot wijzigingen in de normale gezagssituatie. Kinderen die van rechtswege onder een bepaalde vorm van gezag vallen, komen in dit register dus niet voor omdat zij de hoofdregel vormen. Denk hierbij aan ouders die gehuwd zijn geweest dan wel een geregistreerd partnerschap hadden. Beide ouders behouden dan van rechtswege het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kinderen. Ook moeders die niet getrouwd zijn geweest of geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan met de andere ouder hebben van rechtswege gezag.

Overigens is het zo dat rechterlijke uitspraken handmatig worden verwerkt in het register waardoor de in het register opgenomen gegevens ongeveer een week achterlopen. Zie ook vraag 16.

16. Wanneer verstrek je als psycholoog informatie over de minderjarige aan een ouder zonder gezag?

In de Beroepscode is in artikel 8 een artikel opgenomen over de informatieverstrekking aan deze persoon. Hierin staat dat de psycholoog de ouder zonder gezag desgevraagd informatie op hoofdlijnen verschaft. Dit betekent dat je pas in actie komt op het moment dat de ouder zonder gezag je op eigen initiatief om informatie verzoekt. Het betreft een zelfstandig recht op informatie op hoofdlijnen van de ouder zonder gezag. Dit is dan ook niet afhankelijk van de toestemming van de gezagdragende ouder. De informatie betreft bijvoorbeeld de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek en de conclusies die je daaruit wat betreft het kind hebt getrokken. Verstrekking van een geheel onderzoeksrapport of dossier valt hier niet onder aangezien dit verder gaat dan het verstrekken van globale informatie.

Indien je een kind behandelt dat een ouder heeft zónder gezag, raden we aan het dossier zo aan te leggen dat zowel de ouder mét als zónder gezag inzage geboden kan worden zonder dat de vertrouwelijkheid van de gegevens van de andere ouder wordt geschonden. Lees voor dit geval ook artikel 79 van de Beroepscode dat betrekking heeft op vertrouwelijkheid jegens personen in een cliëntsysteem.

17. Wanneer verstrek je als psycholoog informatie over de minderjarige aan de gezinsvoogd?

De gezinsvoogd heeft een zelfstandig recht op informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Dit komt neer op een spreekplicht voor beroepsbeoefenaren met een beroepsgeheim, zoals psychologen. Toestemming van de betrokkenen voor de verstrekking van deze gegevens is niet noodzakelijk. De psycholoog is volgens de wet (ook vastgelegd in artikel 7.3.11 lid 4, Jeugdwet) namelijk verplicht medewerking te verlenen aan een dergelijk verzoek van de gezinsvoogd. Je bent op dit vlak niet gebonden aan je geheimhoudingsverplichting. Je kan zelf contact zoeken met de gezinsvoogd als je denkt over dergelijke informatie over het gezin te beschikken. Het bovenstaande geldt dus alleen voor informatie die van belang is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling (ots).

Het betreft dus informatie die kan bijdragen aan het voorkomen van een bedreiging in de ontwikkeling van het kind. In het algemeen is het verstandig om indien je wordt verzocht om informatie, de gezinsvoogd expliciet te laten benoemen welke informatie hij wil hebben. Op die manier stelt de gezinsvoogd concrete vragen waarop het gemakkelijker is om als professional te antwoorden zonder meteen te veel informatie te verstrekken. Overigens moet je, liefst voorafgaand aan de informatieverstrekking dan wel zo snel mogelijk achteraf, aan de ouders mee te delen dat je informatie gaat verstrekken en om welke informatie het gaat (zie artikel 74 en 75 van de Beroepscode). Openheid naar de ouders blijft ook hier het uitgangspunt.

Word lid of log in

  • Krijg exclusief toegang tot een schat aan informatie: van vakinhoudelijke webinars en evenementen tot aan kosteloos advies bij beroepsethische dilemma’s
  • Onderscheid jezelf als professional en laat zien dat je je houdt aan de beroepscode met onze merknamen, zoals PSYCHOLOOG NIP© of de BAPD
  • Je belangen worden behartigd in Den Haag en je draagt bij aan het bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening en de positie van de psychologen
  • Ontvang iedere maand Tijdschrift de Psycholoog